De End-of-Life Vehicles (ELV) verordening zit in zijn finale fase. Bij het schrijven van dit dossier ontbreekt enkel nog de laatste formele bekrachtiging, nadat de vertalingen van het document zijn afgerond. De vorige versie dateerde uit 2000, aan de nieuwe is jaren gewerkt – het originele voorstel lag al in 2023 voor het eerst op tafel. Een lange bevalling die alles te maken heeft met het belang van de automobielsector en het moeilijk vaarwater waarin ze beland is. De doelen voor de aanwezigheid van recycled content zijn wat afgezwakt maar de ambitie is overeind gebleven: nieuwe wagens meer circulair maken. In dit artikel schetsen we het kader, in de volgende twee gaan we dieper in op enerzijds de bepalingen voor recycled content en anderzijds de eisen rond ontmanteling.
De herziene EU ELV-verordening vormt de volgende stap in de Europese transitie naar een meer circulaire auto-industrie. Ze brengt twee à drie bestaande richtlijnen samen in één verordening, met dus een rechtstreekse impact op elke lidstaat. Dat maakt het een uniek document. Voor autofabrikanten is circulariteit op zich niet nieuw. Het demonteren van voertuigen, het terugwinnen van materialen en rapportage over naleving maken al lang deel uit van het regelgevingslandschap. Wat verandert, is de mate van verantwoordingsplicht die vereist is om aan te tonen dat de circulariteitsdoelstellingen daadwerkelijk worden gehaald. De verschuiving gaat minder over het invoeren van geheel nieuwe verplichtingen en meer over het operationaliseren van circulariteit binnen steeds complexere materiaalstromen. In plaats van zich uitsluitend te richten op de verwerking aan het einde van de levensduur, richt het herziene kader zich in toenemende mate op circulariteit gedurende de gehele levenscyclus van het voertuig. Dit omvat:
Dat er steeds meer autowrakken via export door de mazen van het net glippen, is al langer een doorn in het oog van Europa. Omwille van de veiligheid, er is een reden waarom een auto het stempel wrak krijgt, en omwille van de waardevolle materialen die daarmee verloren gaan. De ELV-verordening wil daarom zoveel mogelijk achterpoortjes sluiten. Dat begint met een uniforme Europese definitie over wanneer een wagen een wrak wordt.
Daarnaast zal er een digitaal systeem ontwikkeld worden om voertuigen beter doorheen lidstaten te kunnen traceren. Dat moet binnen twee jaar in voege zijn (de lidstaten hebben dan nog twee jaar om aan te sluiten). Het is immers ‘slechts’ een kwestie van de databanken die elke lidstaat al heeft, met elkaar te laten praten. Vijf jaar na het ingaan van de ELV-verordening zal er ook een exportban gelden voor niet-rijwaardige wagens. Hoe die controles en de handhaving precies zullen gebeuren, moet nog uitgewerkt worden in secundaire wetgeving.

Voor België en Nederland is de verplichting van een systeem voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid minder impactvol. Met respectievelijk Febelauto en ARN beschikken we al over een beheerorganisme. Bovendien wil Europa dat de recyclingsector ook met minstens één waarnemer zetelt in de raad van bestuur. Een positieve zaak om de volledige waardeketen dichter bij elkaar te brengen. De bijdrage die de constructeurs leveren voor de verwerking van hun autowrakken zal in de toekomst afhangen van hoe goed de onderdelen ontmantelbaar, herbruikbaar en recyclebaar zijn. Ecomodulatie dus. Hoe slechter wagens scoren op deze criteria, hoe hoger de UPV-bijdrage zal zijn. Ook de recyclingsector in de lage landen is de laatste jaren al die weg naar meer hergebruik ingeslagen. Er zit ook waarde in onderdelen aanbieden voor de tweedehandsmarkt. Hoe ze eruit te halen en hoe ze aan te bieden aan professionele actoren zijn de volgende stappen om hierin te zetten.
De herziene ELV-verordening luidt een bredere verschuiving in naar meer verantwoordingsplicht en transparantie in de materiaalstromen binnen de automobielsector. In plaats van zich uitsluitend te richten op recyclingresultaten, eist het regel-gevingskader in toenemende mate dat fabrikanten aantonen hoe materialen door circulaire terugwinningsprocessen stromen – van de demontage van voertuigen tot de productie van secundaire grondstoffen. Voor fabrikanten wordt circulariteit daarom niet alleen een duurzaamheidsdoelstelling, maar ook een operationele uitdaging. Het halen van doelstellingen voor gerecycled materiaal, het aantonen van gereedheid voor circulair ontwerp en het verifiëren van verwerkingsresultaten zijn allemaal afhankelijk van betrouwbare documentatie van wat er gebeurt, zodra voertuigen en onderdelen opnieuw in terugwinnings-systemen terechtkomen. Het vastleggen van deze processen op een gestructureerde en controleer-bare manier wordt een steeds belangrijker onderdeel van circulariteitsprogramma’s.