In deze derde aflevering van Trash Talks duiken we in de groeiende textielcrisis. Waarom stijgen de volumes afgedankt textiel jaar na jaar? Hoeveel daarvan is nog herbruikbaar of recycleerbaar? En waar zit vandaag de grootste uitdaging: bij afvalverwerking, overconsumptie, productkwaliteit of overproductie? Moderator Nele Roobrouck gaat in gesprek met Frederik Bal van het Vlaams Inzamelcentrum Textiel en Koen Tengrootenhuysen van Decathlon en Retexbel over textielinzameling, hergebruik, vezel-tot-vezelrecyclage, sociale economie en de impact van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). Een scherp en actueel debat over de toekomst van circulair textiel in België en Europa.
[00:05] Introductie van de aflevering over textiel
Nele Roobrouck: Vandaag hebben we de derde aflevering van Trash Talks en die gaat over textiel. De wereld produceert elk jaar meer kleding dan ooit. Maar wat gebeurt er wanneer we ze weggooien? Slechts een beperkt deel wordt opnieuw gedragen of gerecycleerd, terwijl inzamelaars en verwerkers steeds meer moeilijk verkoopbaar textiel binnenkrijgen. Kledij wordt goedkoper, collecties volgen elkaar heel snel op en de volumes blijven stijgen. Maar tegelijk groeit de druk op inzamelaars en recyclers. En de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid komt eraan. Vandaag brengen we al deze schakels uit de keten samen. Waar wringt het en wat moet er veranderen? Of wat gaat er goed? Is de textielcrisis een afvalprobleem? Of ligt de uitdaging bij overproductie en productkwaliteit? En kan de sector circulair worden zonder dat het businessmodel verandert? In deze aflevering van Trash Talks gaan we daarover in debat met twee spelers. Aan tafel: Koen Tengrootenhuysen, Director Public Affairs Europe van Decathlon en ook voorzitter van Retexbel, en Frederik Bal van het Vlaams Inzamelcentrum Textiel, een Vlaamse textielophaler en verwerker.
[01:22] Voorstelling van de gasten
Nele Roobrouck: Welkom Koen en Frederik. Kunnen jullie kort toelichten waar jullie zich bevinden in de keten van textiel?
Koen Tengrootenhuysen: Ik werk voor Decathlon. Vorige week zondag 20 jaar en ben een paar jaar actief binnen Public Affairs. Textiel is een belangrijk onderdeel en strategie voor de groep. Opwarming van de aarde maakt dat wij sporten te belangrijk vinden. Dus als je wil gaan skiën, moet er sneeuw liggen op de bergen. Als je in water wil zwemmen, moet het helder zijn. Als het te warm is, kan je niet sporten. Dat zijn de basics die mee gelinkt zijn aan het DNA van ons familiebedrijf, nog altijd. En textiel: wij zijn een van de grotere sporttextielproducenten, dus wij hebben zeker een rol te spelen en die willen we ook maatschappelijk opnemen. Meer nog, in ons DNA zit eigenlijk een soort van pioniersmentaliteit en die willen we zeker en vast ook mee uitstralen in de hele benodigde textielverandering in het hele proces, zoals we die vandaag kennen. Ik denk dat daar eigenlijk de insteek zit van mijn job vandaag: strategie, public affairs voor Europa, voor de groep. En langs de andere kant ben ik heel blij – maar misschien is het daarover zelfs meer – dat ik met veel stakeholders samen Retexbel heb kunnen oprichten en dat ik er ook vandaag een hele fiere voorzitter van ben.
[02:50] Frederik Bal over zijn rol in de keten
Nele Roobrouck: Mooi. Frederik?
Frederik Bal: Dank u voor de uitnodiging. Frederik, ondertussen 17 jaar werkzaam bij de groep Recutex. Recutex is ook een familiebedrijf waar de derde generatie aan het roer staat. Wij hebben verschillende bedrijvengroepen. Eentje die gekend is om zijn groene textielcontainers in het straatbeeld, dat is het Vlaams Inzamelcentrum Textiel. Verder hebben we ook ons eigen transportbedrijf, Victrans. Maar voornamelijk ook ons sorteerbedrijf, Recutex NV, dat bestaat sinds 1948, toch al 78 jaar expertise op het vlak. En wij hebben eigenlijk de volledige keten in handen van inzameling, transport en verwerking van Vlaams huishoudelijk textielafval. En wij gaan dat inzamelen, correct inzamelen, transporteren en zo goed mogelijk proberen te valoriseren. Voilà.
[03:47] Hoe ernstig is de situatie in de textielsector
Nele Roobrouck: Jullie weten het sowieso: de textielsector, het gaat niet altijd even evident, maar hoe ernstig is eigenlijk de situatie vandaag? Hoe zien jullie de volumes evolueren en de kwaliteit van het ingezamelde textiel?
Frederik Bal: Zal ik daarop inpikken? Wij zien eigenlijk jaar na jaar de hoeveelheid textiel die wij inzamelen in onze bakken stijgen, wat ook niet onlogisch is. Consumenten gaan jaar na jaar meer consumeren en op een bepaald moment moet de kast natuurlijk leeggemaakt worden. Als er plaatsgemaakt wordt voor nieuw textiel, staan wij daar klaar om het oude textiel in te zamelen en te valoriseren. Naar kwaliteit van het textiel: op dit moment zamelen we nog vaak goederen in die een aantal jaar geleden zijn aangekocht. Dus de echte daling in kwaliteit van ultrafast fashion hebben we op dit moment nog niet echt in ons productieproces. We moeten wel zeggen: de extra hoeveelheden die wij inzamelen, zijn meestal wel van lagere kwaliteit. De topkwaliteit, de goederen die het best herbruikbaar zijn, dat percentage blijft ongeveer gelijk. Maar de surplus die wij inzamelen is vaak van een kwaliteit die richting recyclage zou moeten gaan.
[05:04] Een sector op een kantelpunt
Nele Roobrouck: En waar staat de sector vandaag volgens jullie, als ik die vraag aan jou mag stellen, Koen?
Koen Tengrootenhuysen: Ja, met veel plezier. Volgens mij staat die op een kantelpunt. Ik kijk altijd graag naar de positieve dingen in het leven. Ik denk dat als je een SWOT-analyse maakt, het oog van de opportunities fenomenaal is. De laatste jaren zitten wij in een evolutie, mondiaal, geopolitiek, en dat draait rond digitalisering. Voeg daar nog AI aan toe en alles gaat heel snel. Wij zitten hier met drie rond de tafel, we hebben drie winkels in onze broekzak. Binnen de vijf minuten heb je een bestelling geplaatst in China. Binnen de drie tot vijf dagen komt uit China of ergens uit Azië wel een product binnen. Dat is een realiteit. En de vaststelling is vandaag dat heel onze sector daar nog niet helemaal op voorbereid is. En dat geldt voor alle schakels in heel het textielverhaal. Dus wij worden vandaag geconfronteerd met een overaanbod. Frederik haalde wat aan over textielkwaliteit, maar dat is ook omdat producten die in Azië worden gemaakt gecreëerd worden op basis van economische omstandigheden die wij hier niet kennen. Dus dat gelijk speelveld is volledig zoek. De vaststelling is gewoon dat wij onze structuren moeten aanpassen. En ik denk dat we niet anders kunnen dan met z’n allen daar een oplossing voor zoeken. Weet dat je dit jaar – ik kijk af en toe zo eens over de landsgrenzen heen – de Chinese astrologie iets is dat me wel af en toe boeit. Dit jaar is het jaar van het vuurpaard. Vuur en paard, dat zijn twee elementen die daar samenkomen, die energie geven. En dit jaar is dat een speciaal jaar. En als je ziet wat er geopolitiek dit jaar al allemaal aan het gebeuren is. Dus nogmaals, neem dat vast. Frederik en ik doen dat vandaag, samen met de anderen rond de tafel bij Retexbel. En wij willen er gewoon voor zorgen dat we die energie gebruiken om echt een verandering in te zetten. Dus voor mij is dat een kantelpunt. Positief bekeken.
[07:09] Overproductie of afvalprobleem
Nele Roobrouck: Dank je wel. Dus eigenlijk kan ik stellen: textielcrisis is geen afvalprobleem, maar eerder een overproductieprobleem.
Frederik Bal: Ja, de druk die de sector voelt natuurlijk, is voor iedereen. Maar laat ons zeggen dat het ook begint bij de consument. En dat we niet enkel mogen kijken naar de producent. Overproductie is vaak ook iets dat op vraag van een consument komt. Wat Koen zegt is juist. Ik neem mijn telefoon hier en overmorgen heb ik een pakketje vanuit China. Is dat een overproductieprobleem? Is dat een probleem van de consument? Dat laten we nog in het midden. Wat we wel moeten vaststellen is dat het probleem van overproductie en overconsumptie wel op de hele keten terechtkomt. Dat begint inderdaad bij de inzameling die geconfronteerd wordt met een massa aan goederen die moeten ingezameld en gesorteerd worden. En daar knelt het schoentje.
Nele Roobrouck: Maar is dat daarom een afvalprobleem, overproductieprobleem?
Koen Tengrootenhuysen: Volgens mij kan je dat reguleren. Volgens mij zijn dat twee dingen die je tegelijkertijd kan aanpakken. Aan de ene kant: je hebt er juist aan verdiend, die kast die open en uitpuilt. Dat is vandaag: wat doe je ermee? Dus ook dat: je bestelt iets, het komt binnen. Laat ons niet altijd dat voorbeeld nemen, want er zijn perfect goede retailers, producenten, dingen die hier worden gemaakt, ook bij ons in Europa en zeer dicht bij huis. Dus dat maakt niet uit. Het is gewoon gemakkelijk om te bestellen, of om te kopen, of te huren. Dat is ook nog een alternatief. Je hebt een product, maar wat doe je dan inderdaad met de rest? En dat is een probleem, omdat het allemaal iets gemakkelijker wordt. En dat moeten we samen houden.
[08:58] Evolutie van inzameling doorheen de jaren
Nele Roobrouck: Dan gaan we misschien voorzichtig over naar de inzameling en kwaliteit. Frederik, ik denk dat ik bij jou aan het juiste adres ben om te vragen: wat komt er effectief vandaag binnen? Zie je daar een tendens in of scheelt dat van jaar tot jaar? Of misschien van seizoen tot seizoen? Want nu heb je instellente kuis, maar dan heb je misschien straks in het najaar de zomerkledij die buiten vliegt.
Frederik Bal: Ik zit ondertussen 17 jaar in het vak. En de afgelopen twee jaar weet ik soms niet meer wat we ons moeten verwachten. Een aantal jaar geleden zamelden we ongeveer 5 à 6 kilogram per inwoner in. Natuurlijk heeft de geopolitieke problematiek, beginnende met de covidcrisis, heel wat veranderd. Er is een piek gecreëerd die op zich dan gevolgd is door een dal, maar sinds 2020 zien we een exponentiële stijging van hetgeen dat wij inzamelen. Terwijl er vroeger min of meer wel een seizoensgebonden piek was. Een mooi voorbeeld daarvan is: juni is altijd een kalme maand en dat is omdat het examens zijn en dat de mama’s de kinderen niet mogen storen om de kast leeg te maken. Net zoals december, januari, februari door het mindere weer vaak een kalme maand is, hebben we dit nu niet meer. Wij hebben afgelopen week een enorme piek in hoeveelheid gehad en de oorzaak daarvan weten we niet. Op vandaag hebben we ongeveer 8 tot 10 kilogram per inwoner dat wij kunnen inzamelen, mits wij uiteraard vrij zijn om een correct inzamelsysteem op te starten. Daar knelt het schoentje ook een beetje, waar de beleidsmakers ons wel moeten in bijstaan. Het lokale materialenplan is jammer genoeg al achterhaald. Wij lobbyen met de sector daar al jaren voor om dat aan te passen. Maar ondertussen kunnen openbare besturen nog altijd de keuze maken om huis-aan-huisinzamelingen op te starten. Als we dat dan gaan vergelijken met textielinzameling via textielcontainers, dan ga je merken dat huis-aan-huisinzameling slechts 2 à 3 kilogram per inwoner inzamelt. Dat is niet omdat het niet bestaat. Het is niet omdat een gemeente beslist huis-aan-huis te doen dat die consument op dat moment geen textiel heeft dat hij wil deponeren. Het probleem is dat het dan richting verbranding gaat en dat is een raadsel, want het zijn waardevolle grondstoffen die we kunnen hergebruiken en recycleren. Maar de conclusie is wel dat we meer en meer inzamelen en dat de capture rate stilaan boven de 50% begint te komen.
[11:51] Hoeveel textiel is herbruikbaar
Nele Roobrouck: Kan je daar een item aan koppelen van hoeveel herbruikbaar is? Of is dat moeilijk te zeggen?
Frederik Bal: Absoluut. Er komt veel in de pers dat heel wat textiel niet herbruikbaar is en rechtstreeks de verbrandingsoven ingaat. Dat is absoluut foutief. Een belangrijk aspect is daarbij dat je met een professionele inzameling zit en dat je met de ingezamelde goederen naar een erkend sorteerbedrijf gaat. Bij voorkeur gaat dat ook naar een sorteerbedrijf dat aan fijnmazige sortering doet. Wat bedoelen we daarmee? Dat is eigenlijk elk stuk gaan bekijken en ook gaan valoriseren. Die eigenlijk minimaal 100 tot 200 soorten hebben waar het textielafval in kan ondergebracht worden, zowel in hergebruik als in recyclagefracties. Wij hebben de volledige keten in handen, dus wij kunnen wel mooie cijfers voorleggen. Van hetgeen dat wij in Vlaanderen inzamelen, kunnen wij ongeveer 70% hergebruiken. Dus een kledingstuk voor een kledingstuk, een handdoek voor een handdoek. De overige 20 à 30% gaat grotendeels richting recyclagetoepassingen. En wij gaan enkel goederen energetisch valoriseren, dus richting verbrandingsoven of richting pelletisering van de textielvezel, als de goederen eigenlijk niet in de textielcontainer mogen komen. Dus eigenlijk de acceptatievoorwaarden worden overschreden. En dat gaat dan vaak over een broek die volledig bevuild is met verf, een veiligheidsschoen waar de plakker zijn plaksel heeft laten opzetten. Ja, dat is heel moeilijk om te recycleren. Dat is ook heel moeilijk om te hergebruiken. Dus dat zijn zaken die uiteindelijk richting verbranding gaan. Maar lang niet de 90% die soms in de pers verschijnt.
[13:41] De rol van retailers in kwaliteit en circulariteit
Nele Roobrouck: Ja, inderdaad, dank u wel voor die verduidelijking. Koen, als ik de vraag aan jou mag stellen: retailers, ik vermoed dat jullie als Decathlon ook wel een rol kunnen spelen om de kwaliteit te verbeteren.
Koen Tengrootenhuysen: Dat is hetgeen dat ik er juist zei. Dus bij ons in het bedrijf is dat in het DNA mee opgenomen: respect voor het leefmilieu. En wij zijn echt niet de enigen. Er zijn veel collega-retailers die vandaag effectief iets willen doen, die over heel de schakel mee inzetten op het hergebruiken van materialen, het aanbieden van circulaire businessmodellen. Want dat is eigenlijk heel de uitdaging die we vandaag hebben: van het lineaire productiemodel omschakelen naar het circulaire. Het aanbieden van hersteldiensten. Je kan dat bij ons in de winkel zien, waarbij we meer tweedehandsfietsen die in de winkel worden verkocht en verhuurd hebben dan dat er nieuwe fietsen zijn. Dat is omdat we hersteldiensten aanbieden. Materialen worden hergebruikt, we sluiten partnerships af. En wij zijn dus helemaal niet de enigen die dat doen. Maar het ding dat we vandaag – en hetgeen waar we het juist over hadden – is de wijziging die er nu gaat doorkomen met de UPV, die Extended Producer Responsibility, producentenverantwoordelijkheid. Dat is dat wij als producent volledig verantwoordelijk worden voor heel die keten. En bij heel dat verhaal komt dat stuk afval er gewoon ineens bij. Dus wij moeten sowieso – en ik ben er zelf van overtuigd – dat je maar een aantal dingen enerzijds door sensibilisering in gang kan zetten, want aan de andere kant heb je ook een stukje regulering nodig. Dat is gewoon zo. En vandaag worden wij gezien als vervuilers. Dus wij produceren iets, wij proberen producten op de markt te brengen en wij moeten er ineens ook voor zorgen. Maar ik vind wel dat daar een aantal kanttekeningen bij gemaakt moeten worden. Als wij er effectief voor moeten zorgen dat die keten effectief wordt veranderd, ja, dan moet iedereen die in die keten zit wel ook zijn hand opsteken en zeggen: we gaan dat hier efficiënt doen. Als je een bedrijf wil runnen, moet dat efficiënt zijn. Je hebt een businessmodel en je wil daar eigenlijk het beste uithalen. En ik denk dat we daarvoor allemaal grote jongens en meisjes genoeg zijn rond de tafel om kritisch te zijn voor iedereen in de schakel. Overheden hebben daar ook een heel belangrijke rol bij te spelen. De gemeenten – en ik heb dat gezien met mijn eigen ogen als we op bedrijfsbezoek waren bij Frederik en met de collega’s – het hele debat van de gemeentes die vandaag ervoor kiezen om geen bulles, geen textielcontainers meer te zetten, omdat ze ervoor moeten betalen. Ja, die nemen eigenlijk een stuk van een heel grote verantwoordelijkheid op zich. Want eigenlijk wil dat zeggen dat je ook consumenten hun producten niet meer kunnen afzetten. Uiteraard kan je naar een containerpark gaan, dat is nog een ander deel, daar heb ik ook mijn visie over. Want dat is een totaal overgesubsidieerd iets, dat gigantisch veel geld kost en bovendien ook regionale verschillen kent. Maar als die bulles er niet zijn of blijven, wat doe je dan met je textiel? Dat textiel komt in een afvalcontainer of in een afvalbak. En er wordt niks meer mee gedaan. Het wordt verbrand en die factuur wordt doorgeschoven opnieuw naar de consument. Dus iedereen heeft een bepaalde rol te spelen. En een van de dingen die ik ook in ons overleg had een paar weken terug met de overheid in België, is: schoenmaker, blijf bij je leest. Iedereen heeft een bepaalde specificiteit. Sociale partners, sociale economie, hebben ook hun rol te spelen met hun behoeften en met hun noden. Maar moet je daarom alles oversubsidiëren? Dat denk ik niet. En we zien ook dat daar regionale verschillen zijn. De behandeling van de sociale partners in Vlaanderen en Wallonië is totaal verschillend. De visie van het beleid over afval is totaal anders. Dus wij willen, vanuit Decathlon, maar zelfs met de collega’s van producenten: ja, we nemen die verantwoordelijkheid op, maar iedereen moet wel mee. En dat hebben we gezien met de private spelers, die ook moeten inzetten en verder inzetten op recycling, om ervoor te zorgen dat we die 1% van die textielhoop die maar wordt gerecycleerd, fiber to fiber, die volledig wordt gerecupereerd, verhogen. En dat gaat een paar jaar duren, helaas. Maar het is wel een boeiend iets en het is dus nog eens een opportuniteit.
[17:55] Gratis inzameling en consumentengedrag
Nele Roobrouck: Dus we kunnen duidelijk stellen dat gratis inzameling geen overconsumptie realiseert. Integendeel, we moeten er eigenlijk voor zorgen dat onze gratis inzameling, vooral via de containers of de bulles zoals je het zegt, dat die gewoon een mooi en goed netwerk blijven.
Koen Tengrootenhuysen: Ja, en bovendien: sensibiliseren is één ding. Dus we moeten ervoor zorgen dat inderdaad consumenten – maar ik denk dat het superbelangrijk is – als je vandaag naar de consument kijkt, en ik heb zelf twee dochters, 19 en 21, die denken anders dan wij. Wij zijn een beetje ouder, kijk naar mijn collega hier links, we zijn een beetje ouder. Zij denken anders. Maar zelfs niet naar hen moet meer worden gekeken, maar wel naar hun kinderen: hoe gaan zij met de dingen om? En dan komen we opnieuw bij die digitalisering terecht. Zij laten zich op een totaal andere manier inspireren over tal van onderdelen. Ook: zij zijn meer met het milieu bezig dan wij zelf ooit denken. Maar ze moeten wel praktische voorbeelden zien. We kijken nog wel naar ons om een aantal dingen nu te veranderen. En dat vind ik juist het leuke aan die hele uitdaging.
Frederik Bal: Ja, zoals Koen zegt: gratis inzameling. Als er geen inzameling is, dan gaat de consument jammer genoeg niet minder consumeren, maar gaat hij gewoon zijn product elimineren in de verbrandingsoven. En dat zou eigenlijk niet meer toegelaten mogen worden van de overheid.
Koen Tengrootenhuysen: En er is een belangrijk element dat daar zeker bij aansluit. Dat is dat je het reguleren via taxeren, dan kan een bepaalde richting mee helpen sturen. Het voorbeeld van ecomodulatie – moeilijk woord – is een systeem van bonus-malus. Degene die iets goed doet, wordt beloond. Degene die iets minder goed doet, wordt gestraft. Dat is heel simpel, dat verstaat iedereen. Maar het gegeven is wel dat je vandaag producenten die bijvoorbeeld minder inzetten daarop, kan belonen omwille van het feit dat zij meewerken aan een bepaald systeem. En dat is heel het doel van Retexbel: dat je diegenen die dat niet doen – nogmaals, we moeten niet altijd naar de Aziatische producenten kijken, maar naar diegenen die het minder goed doen – dat zij worden geweerd of worden gestraft, zodoende dat we toch nog naar een gelijk speelveld gaan.
[20:08] De stap na de inzameling
Nele Roobrouck: Als ik nog eens terug mag gaan in de keten, dus we hebben het gehad over inzameling, maar wat is de stap na inzameling? Want ik vermoed dat niet iedereen die zal luisteren de volledige keten kent. Dus we hebben ingezameld, we hebben onze containers. Jullie komen erom, Frederik.
Frederik Bal: Ja, wij gaan dat afleveren in ons eigen sorteercentrum, maar vaak gaat het inderdaad van een inzamelaar naar een sorteerbedrijf, dat op zijn beurt elk stuk gaat bekijken, elk stuk gaat valoriseren. Op zich: kijken voor hergebruik is, als je voldoende expertise en voldoende connecties hebt op de wereldmarkt, niet zo moeilijk. Dan kan je vaak je kledingstuk dat nog bruikbaar is in goede staat makkelijk hergebruiken. Het probleem komt op dit moment bij de goederen die niet langer herbruikbaar zijn, dat is die 20 à 30% bij ons, die we richting recyclagetoepassingen moeten brengen. Dat zijn ook de fracties die net het moeilijkste te verwerken zijn. Als we kijken naar moeilijkheden omtrent recyclage, dan moeten we voornamelijk kijken naar hoe een product ontworpen is op dit moment. Producten zijn op dit moment vaak niet ontworpen om makkelijk te recycleren. Je hebt de multimaterials. Een hemd bestaat uit een polyester-katoenmix. Vaak wordt daar al voor het comfort van de consument een stukje elastaan toegevoegd. Dat maakt door de mix van vezels opnieuw moeilijk om te recycleren. Verder heb je op een hemd ook verschillende disruptors, zoals ze noemen, die ook moeten verwijderd worden vooraleer ze gerecycleerd kunnen worden. En dan hebben we nog de moeilijkste fracties, dat zijn de multilayers. Dan denken we voornamelijk aan de PBM, persoonlijke beschermingsmaterialen, veiligheidskleren, skijassen bijvoorbeeld. Die bestaan uit verschillende lagen van textiel, die dan ook nog bestaan uit verschillende lagen van vezels en disruptors. Op dit moment zijn dergelijke multilayers met mixen van vezels met disruptors eigenlijk onbegonnen werk om nog correct te kunnen recycleren.
Nele Roobrouck: Waardoor deze dan eigenlijk wel afgevoerd worden naar verbranding?
Frederik Bal: Als ze niet herbruikbaar zijn, worden ze vaak naar verbranding gestuurd, maar ik wil daar wel een positieve kanttekening op maken. Er zijn op dit moment technologieën in ontwikkeling, zowel op recyclage – hoe moeten we die mixen recycleren – maar evengoed zijn er ook technologieën die ontwikkeld hebben om ervoor te zorgen dat het produceren van een dergelijke multilayer met een disruptor makkelijk recycleerbaar kan zijn. Probleem is dat dat vaak nog niet bij het consumententextiel en en masse wordt gebruikt. Maar we zijn wel hoopgevend uiteraard dat dat wel kan naar de toekomst.
[23:13] Perceptie rond export en hergebruik
Koen Tengrootenhuysen: Belangrijk, nogmaals, die verhoudingen. Want ik denk dat er vaak ook een perceptieprobleem wordt gecreëerd. En dat is ook deels vandaag in onze overgemedialiseerde aanpak, sensatiebelust misschien vaak, waarbij alle producenten alles maar naar Afrika sturen waar dat op een hoop wordt gegooid en dan daar wordt verbrand. De kost van de container om iets naar Afrika te sturen is de laatste jaren, en nu zeker de laatste tien dagen, gigantisch gestegen. Dus dat is gewoon een fout beeld dat er wordt opgehangen. Vaak ook door partijen die eigenlijk bewust weten dat ze dat ook een stukje willen sturen. Er zijn partijen die eigenlijk zeggen: om dat probleem op te lossen, is het misschien niet slecht dat jullie als producenten gewoon stoppen met produceren. Dan is het probleem opgelost. Dat werkt natuurlijk niet, want dan neem je een van de belangrijkste economische factoren of actoren weg en dan werkt het niet. Dus iedereen heeft nogmaals zijn verantwoordelijkheid. En de problemen die daarnet worden aangehaald, die bestaan effectief. Maar 60%, grotendeels 60%, en dat moeten we toch eventjes benadrukken, wordt hergebruikt. Dat hoeft niet per se bij ons in het dorp te zijn, maar dat kan perfect in Europa of buiten Europa zijn. India is een van de grotere afzetmarkten waar de producten worden gebruikt en dan nog eens hergebruikt. Er zijn mensen die daar vragende partij naar zijn. En dat is een van de dingen waar ik op wil wijzen. Die 1% zit dan rond het fiber to fiber, waarbij we de vezels effectief zelf kunnen gebruiken. En ik denk dat het belangrijk is om ook eens te kijken vanuit het oogpunt van juist ook die Aziatische landen. Probeer het probleem nu ook eens globaal te zien, want dat zijn geen lokale problemen. Het is niet omdat we met 27 lidstaten zijn dat dat 27 afzonderlijke problemen zijn. De ambassadeur van Bangladesh, met een van die mannen sprak ik in Brussel, en die man kwam eigenlijk zeggen: alsjeblieft, neem die productie niet weg, want dat zorgt er ook voor welvaart, dat zorgt er ook voor dat mensen kunnen werken. Dus het beeld dat ook vaak wordt opgehangen dat productie vanuit China of vanuit Azië, in Bangladesh, in Vietnam, sowieso slecht is, dat daar kindarbeid wordt gebruikt, dat er dwangarbeid wordt gebruikt, dat daar bovendien slechte dingen allemaal gebeuren, dat wij daar niet op inzetten: dat zijn beelden, dat is framing, dat is gewoon niet juist. En daar kan ik echt spreken voor heel veel, veel retailers. Dus bekijk het ook eens langs de andere kant. De oplossing: het textiel dat wij hier vandaag hebben, kan ook iemand anders dienen. Mijn boekentasje dat ik bij heb komt van het containerpark. Zeven euro heb ik daar betaald. Ik vond het een mooi boekentasje. Voilà. Dus dat bestaat. Je kan dat effectief doen.
[26:12] Vezel-tot-vezelrecyclage op grote schaal
Nele Roobrouck: Mag ik op een klein item dat je daarnet hebt aangehaald, de vezel-tot-vezelrecyclage, nog eens ingaan? Kan je daar iets meer cijfers geven? Is dat realistisch op grote schaal? Misschien vandaag nog niet, maar morgen wel. En wat is morgen? Is dat binnen vijf jaar? Binnen twee jaar?
Frederik Bal: Dat is realistisch. De 1% die Koen aanhaalt is inderdaad correct. Er is misschien zelf al veel te doen. Op dit moment zijn de producten gewoon nog niet klaar om makkelijk naar vezel-tot-vezelrecyclage te gaan. Ik wil niet zeggen dat er op dit moment geen enkele recyclage is. Beleidsmakers zijn vaak zeer utopisch en willen alle recyclage binnen Europa houden en bij voorkeur enkel vezel-tot-vezelrecyclage doen. Als we dat zeer bruusk doen, dan gaan we alleen maar creëren dat alle goederen die voor recyclage van toepassing zijn richting verbranding gaan. Dat is gewoon een feit. We moeten wel stapsgewijs overgaan. Ik heb er onlangs nog over gesproken. Jaren geleden zaten alle recyclagebedrijven van textielafval binnen Europa. Op dit moment zijn 99% van die recyclagebedrijven verdwenen. Binnen de wereldmarkt is er zich natuurlijk een industrie ontwikkeld om die producten een oplossing te geven. Vaak gaat dat om downcycling, zoals het woord inderdaad is. Is dat daarom minder duurzaam? Is dat daarom geen hoogwaardige recyclage zoals de vezel-tot-vezelrecyclage? Daar willen we gerust de discussie over aangaan met de beleidsmakers. Als we bijvoorbeeld denken: wat gebeurt er met veel consumententextiel, bijvoorbeeld die multilayers met disruptors? Kijk even in de koffer van je auto en daar ga je wel wat isolatiemateriaal zien dat hoogstwaarschijnlijk ook van dat textielafval afkomstig is. Is dat daarom minder hoogwaardige recyclage dan de vezel-tot-vezelrecyclage? Nee, want vaak gaat die auto veel langer mee dan een nieuw kledingstuk dat gemaakt wordt uit die vezel-tot-vezelrecyclage. Wat we wel moeten doen, en ik denk dat elke partij in de keten daaraan moet samenwerken, is dat we een stapsgewijze omvorming doen, zodat we onze grondstoffen die hier op de markt komen ook zoveel mogelijk proberen hier te houden, te recycleren en bij voorkeur dan kijken naar vezel-tot-vezelrecyclage. Maar we moeten bestaande systemen, downcycling, nieuwe dekens maken, behouden. Maar we moeten stapsgewijs de industrie de kans geven om zich te ontwikkelen. Want vezel-tot-vezelrecyclage is op dit moment mogelijk. Het zal moeilijk zijn met de producten die op de markt komen, maar het is mogelijk. Maar zolang er geen vraag is naar vezels om in je product te steken, zal de industrie van de recyclage zich ook nooit ontwikkelen. Dus we moeten dat stapsgewijs aanpakken. We mogen dat ook niet in een hoekje stoppen en zeggen dat het nooit mogelijk is, maar we moeten dat slim aanpakken.
Koen Tengrootenhuysen: En dat gaat een tijdje duren, maar wij zijn ermee bezig. Ik heb een T-shirt in mijn kast liggen die volledig vezel tot vezel gemaakt is. Super aangenaam om te dragen. Je hebt een volledige lijn die je bij Decathlon kan vinden. Dus wij investeren als bedrijf ook in die processen. Dus wij willen zien in welke mate we mee kunnen helpen om voor oplossingen te zorgen. En materialen worden gebruikt. Hoe beter de materialen zijn als zodanig, garen – want ik ben daar zelf niet de grote expert in, die zit naast mij – hoe beter dat die garen zijn, hoe belangrijker en hoe meer je er iets mee kan doen. En dat zie je vandaag de dag als je kijkt naar bijvoorbeeld wat er gebeurt, nogmaals mijn twee dochters die op Vinted een eigen winkeltje hebben, die daar stuks verkopen. Dat zijn allemaal doorgaans materialen die in de beste staat, of in goede staat nog, gebruikt en nog eens hergebruikt worden. Dus als we daar naartoe kunnen gaan, dan zal dat zeker en vast de goede richting uit zijn. Maar we moeten wel ook realistisch zijn. Dat gaat niet van de ene dag op de andere. En dat is de reden waarom we ook met Retexbel proberen met z’n allen zo’n gigantische stap te zetten.
[30:41] Samenwerking met de sociale economie
Nele Roobrouck: Als ik nog een partij uit de keten er eventjes mag uithalen, hoe zien jullie de samenwerking met de sociale economie? We zien eigenlijk de kringloopwinkels in het straatbeeld, we zien ze nu en dan op tv, maar als we nu kijken naar hun aandeel ten opzichte van het aandeel van de privésector, van jullie, Frederik, hoe verhoudt zich dit?
Frederik Bal: Ja, jammer genoeg is er al jaar en dag een groot spanningsveld tussen sociale en reguliere economie. We vinden dat eigenlijk spijtig. Wij willen volop inzetten op meer samenwerking, maar we kunnen natuurlijk het spanningsveld niet wegsteken. De reguliere sector voelt ook een klein beetje een oneerlijke behandeling ten opzichte van sociale economie. Als we zeggen dat bij de reguliere economie alles en zal alles gecontroleerd worden, hebben we het gevoel dat bij de sociale partners vaak niets moet, maar alles mag. En dat gaat dan op vlak van rapportage, op vlak van data-analyse, maar evengoed op wettelijk kader, een verbod op verbranding van herbruikbare en recycleerbare fracties. Als de reguliere economie in de pers komt en zegt dat wij 90% van het ingezameld goed moeten verbranden, dan denk ik dat wij morgen ons sorteercentrum mogen sluiten. Dus dan kijken wij vooral naar de beleidsmakers. Waarom is het? Omdat er sociaal voor staat dat het allemaal wat meer kan. Dat vinden wij toch, dat daar toch moet aan gewerkt worden. Dat er meer moet samengewerkt worden in de keten. Sociale partners zijn absoluut noodzakelijk in heel het verhaal. Zij kunnen heel mooie cijfers voorleggen op basis van hergebruik binnen hun winkels. Zij hebben een prachtig lokaal netwerk opgericht om textielgoederen aan mensen lokaal aan te bieden. Dat moet onderstreept worden, dat moet versterkt worden, maar dat mag niet ervoor zorgen dat er meer goederen die effectief herbruikbaar of recycleerbaar zijn richting verbranding gaan. Daar kijken we voornamelijk naar heel wat openbare besturen die, omdat het sociaal noemt, omdat er sociale economie voor staat, oogluikend toelaten dat er een integrale afvalinzameling via textielcontainers wordt opgericht door kringloopcentra. Maar de cijfers zijn daar de laatste jaren duidelijk. Er is een exponentiële stijging van marktaandeel die geschift is van reguliere economie naar sociale economie, maar dat heeft geen enkel positief effect op het hergebruikpercentage. En dat vinden we jammer. Als dat omgekeerd was, dat er exponentieel veel meer hergebruikt zou zijn omdat er meer wordt ingezameld: top, want dat wil zeggen dat er meer hergebruikt wordt. Maar dat is het omgekeerde. Er gaat meer richting verbranding en er wordt evenveel hergebruikt zoals vroeger. Dus daar moeten we aan werken en daar moeten oplossingen voor komen. Daar moeten we samen met de beleidsmakers, samen met de producentenorganisatie aan werken. Dat schoenmaker, ik hoor het Koen nog zeggen: schoenmaker, blijf bij uw leest. Iedereen heeft zijn sterktes. Wij zijn zeer sterk in inzameling, wij zijn zeer sterk in valoriseren. Kringwinkel is zeer sterk in het lokale hergebruik. Laat ons bij onze leest blijven.
[34:14] Regionale verschillen en rolverdeling
Nele Roobrouck: Koen, als voorzitter zou je daar wel nog heel wat werk aan de winkel hebben?
Koen Tengrootenhuysen: Ik probeer om binnen de organisatie zo goed mogelijk die belangen, die tegenstelde belangen – maar eigenlijk zijn het geen tegenstelde belangen, we hebben allemaal hetzelfde belang – zo goed mogelijk met elkaar te verzoenen. Maar ik denk dat je in heel dat verhaal ook even moet kijken naar cijfers. Vandaag zijn er regionale verschillen, dus dat is de facto uitgevallen. De cijfers die we vandaag hebben voor België: er is 100, 110 kiloton onsorteercapaciteit in het land. 60 tot 70 procent, laat het afronden op 100, zit in Vlaanderen en 30% zit in Wallonië. En van die 70% in Vlaanderen is 70% in handen van de private economie en 30% van de sociale economie, dus 70 en 30. In Wallonië is dat anders. In Wallonië is het gedeelte dat daar zit quasi 100% in handen van de sociale partners. We zien dat daar een hele grote ondersteuning is. Ik ben – ook dat is gelinkt aan de waarden van het bedrijf dat ik vertegenwoordig, maar ook mijn persoonlijke waarden sluiten daar nauw bij aan – iemand die denkt dat je sociale doelen en sociale doelstellingen altijd moet honoreren, zeker en vast. Mensen die het moeilijk hebben helpen, daar kan je niet over discussiëren, dat is ook zo. Ik was een paar weken terug bij de collega’s ook van Le Relais in Waals-Brabant, en gaan kijken hoe zij het doen. Hun doelstellingen zijn effectief om ervoor te zorgen dat mensen die minder middelen hebben die kleding te verschaffen, maar ook die voeding te verschaffen, om ervoor te zorgen dat zij een bepaalde rol in de maatschappij kunnen opnemen. Daar kan niemand iets op tegen hebben. Maar als je dat dan verder uitrolt: elke organisatie, vzw of niet, dat maakt op zich niet uit, heeft een bepaald doel, een bepaalde zin en drive om te overleven, om het beter te doen. En één van – ik wil niet het proces maken van de sociale economie, want dat is gewoon de realiteit – zij zeggen: kijk, we gaan het textiel dat we bijvoorbeeld kunnen recupereren, ook via de gemeente of via die bulles, verkopen. Want eigenlijk hebben zij een voordeel, want ze pakken het op, de kruimels af, zoals ze dat in textieljargon noemen, het beste van het beste, het vintage materiaal. Dat wordt vandaag verkocht in winkels. De kringloopwinkels hebben vandaag een magnifiek park. Daar verkopen zij materiaal, zij huren daar vastgoed aan dezelfde marktvoorwaarden als andere retailers en producenten dat moeten doen. Zij concurreren eigenlijk op dat moment met hun producten, wat het ook mag zijn, met andere retailers, H&M’s, Inditex, Zara’s, de Bergkasten, noem het op, van de wereld die in de winkelstraat zitten. Dat is ook een realiteit. Zij doen dat ook om hun sociale doelen te financieren. Daar kan je op zich ook niet lang tegen hebben. Maar langs de andere kant moet je zien dat alles in evenwicht blijft. Als je dan nogmaals in Wallonië ziet dat daar een oversubsidiëring is, dan zorg je voor een verschuiving. Nogmaals, schoenmaker, blijf bij je leest. Zorg ervoor dat je ook in die ophaling, in die sortering, in die recyclage ervoor zorgt dat daar iedereen, elke specialist, zich bezighoudt met hetgeen dat hij of zij het beste kan. Ik zie Frederik nu niet sociale activiteiten gaan ontwikkelen, laat ons dat overlaten aan de sociale partners. En dat is een evenwicht dat we moeten zoeken. Ik ben al iemand die graag die olifant in de kamer benoemt en, als er twee zijn, om te zeggen: laat ons die tweede dan ook benoemen. En dan gaan we het verst stappen met z’n allen, juist in die goede richting. Richting een textielproces dat anders kan worden georganiseerd.
[38:02] Belangrijkste boodschap aan beleidsmakers
Nele Roobrouck: Ik denk, je hebt het woord beleid al heel vaak laten vallen. Stel nu, ik hoorde dat je al vaak bij het beleid bent geweest, waarschijnlijk bij een minister ofwel het kabinet, maar als je nu aan de luisteraar moet zeggen: kijk ja, wat is de belangrijkste boodschap dat je aan een kabinet, aan een minister meegeeft, of dat nu de Waalse minister is, of de Vlaamse minister, of een federale, wie je ook tegenkomt, wat is de belangrijkste boodschap die je hen zou meegeven?
Koen Tengrootenhuysen: Ik trek dat meer open, het is zelfs op ons niveau, op het regionaal niveau. Dit is een probleem dat we in Europa moeten aanpakken. En dat is iets waar ik vandaag in mijn job het voorrecht heb om dat te mogen doen, om effectief met de Europese Commissie en de verschillende administraties rechtstreeks in debat te kunnen gaan. Er zijn initiatieven die worden genomen, die de Commissie neemt, om ervoor te zorgen binnen het kader bijvoorbeeld van het ecodesign: er is een nieuwe regulatie, een nieuwe verordening in verband met ecodesign. Dat gaat over hoe producten, welke kwaliteit een product moet hebben om ervoor te zorgen dat het kan worden beloond als het ware in heel het proces. Dat zijn debatten die aan de bron moeten worden gevoerd. Want de Waste Framework Directive, de richtlijn die ervoor zorgt voor de afvalstoffen en die ervoor zorgt dat de UPV wordt uitgerold tegen 2028, die moet omgezet worden in 27 lidstaten. Dat zijn 27 processen die moeten worden doorlopen, die wellicht wel dezelfde doelstelling hebben, maar dat zorgt voor gigantisch veel problemen. Wij maken bij Decathlon geen producten enkel voor de Belgische markt, noch voor Vlaanderen en zeker niet apart voor Brussel of Wallonië. Dus dat is een gegeven waarbij je op Europees niveau moet kijken. En dat is een van de boodschappen die we meegeven: elke dag harmonisatie, simplificatie, ervoor zorgen dat het ook niet te moeilijk wordt. En dan eigenlijk ervoor zorgen dat je die handen die rond de tafel zitten in elkaar slaat.
[40:00] Concreet beleidsadvies vanuit de sector
Nele Roobrouck: Frederik, heb jij een specifieke boodschap?
Frederik Bal: Ik heb er meerdere maatregelen die kunnen genomen worden door het beleid. Ik had er twee opgeschreven. Het eerste is dat de beleidsmakers moeten erkennen dat we in België een zeer goed systeem hebben, dat we daar eigenlijk koploper in zijn binnen Europa, zowel naar inzamelcapaciteit, zowel naar sorteercapaciteit, maar ook sociale partners, naar hergebruikcentra. Dat de beleidsmaker dat ondersteunt, dat we samen met de producentenverantwoordelijkheid ervoor zorgen dat hetgeen dat bestaat, blijft bestaan. Ik denk dat in Europa duidelijk geworden is dat de sector in een zware crisis zit. Je ziet dat aan de cijfers, maar je ziet dat evengoed aan de vele faillissementen in onze sector. Een tweede maatregel is dat we eigenlijk stoppen met de struisvogelpolitiek. En dat we eigenlijk een keer wakker worden en zien waar het beter kan op vlak van schoenmaker, blijf bij je leest. Laat iedereen professioneel met zijn eigen sterktes omgaan. En laat het beleid dat faciliteren, dat bijvoorbeeld sociale economie kan samenwerken met sorteercentra om aan hogere hergebruikpercentages te komen. Laat professionele inzamelaars inzamelen, laat fijnmazige sorteerders sorteren in hun 200 fracties, zodat er geen 3, 4, 5 sorteercentra dezelfde goederen in hun handen moeten nemen. Maar laat sociale economie de mogelijkheid om bij sorteercentra kwaliteiten te kopen aan verlaagde btw-tarieven, tweedehands, om te verkopen in hun lokaal netwerk. En dan zorg je ervoor dat hetgeen dat in het verleden is scheefgetrokken met een integrale afvalinzameling door de sociale economie wordt rechtgetrokken en dat wij samen kunnen zorgen voor betere cijfers. En met een verlaagd btw-tarief zou het er bijvoorbeeld ook mogelijk zijn dat sorteercentra hun activiteiten licht aanpassen. Wij vinden heel veel goederen van topkwaliteit met kleine defecten, die nu ook vaak richting recyclagetoepassingen gaan, omdat wij niet in staat zijn om deze goederen te herstellen. Maar waarom passen sorteercentra hun proces niet aan en zorgen zij voor een aparte kwaliteit van supergoede kwaliteit met lichte defecten en kan dat dus door de sociale economie worden hersteld? Dan heb je twee vliegen in één klap, dan heb je een hoger herstelpercentage, maar dan heb je ook een hoger hergebruikpercentage. Dat is iets dat ik aan de beleidsmakers zou willen meegeven.
Koen Tengrootenhuysen: Mag ik misschien nog één ding toevoegen? Want dat is iets dat we zeker en vast misschien te vaak onderbelichten. Dat is de samenwerking die er vandaag bestaat tussen de drie gewesten. We zijn eigenlijk een akkoord aan het opmaken dat ervoor zorgt dat onze uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in onze organisatie, Retexbel nogmaals, wordt erkend en dat we verder aan de slag kunnen gaan. Laat ons alsjeblieft ervoor zorgen dat die op dezelfde lijn blijven zitten. Want als we daar nog eens naartoe gaan dat we in België, in ons klein Belgenlandje – dus dat textiel, ik heb daarnet een pleidooi gegeven voor Europa en de visie daarop – maar dat we daar alsjeblieft moeten voor zorgen dat we op één lijn blijven zitten, dat we dezelfde doelstellingen krijgen, dat we dezelfde richting uitgaan. En dan gaan we al een hele stap kunnen zetten.
[43:44] De meest kenmerkende cijfers
Nele Roobrouck: Maar ik denk ook dat we vanuit die nieuwe Retexbel dit volledig kunnen ondersteunen. En ook jouw maatregelen, Frederik, gaan we zeker en vast aan de man of aan de vrouw brengen in de diverse regeringen. Maar als we nu kijken naar de sector zelf, ik heb al heel veel cijfers gehoord, zowel van jou, Koen, als van Frederik. Maar wat is voor jullie het meest kenmerkende cijfer? Als je zegt: als ik nu kijk naar mijn business, is dat een transport, is dat een volume dat je inzamelt? Kan je daar een getal op plakken, Frederik?
Frederik Bal: Het meest frappante cijfer is toch wel even alle recente krantenartikels ontkrachten. Een reguliere sector die goederen inzamelt, die boven een capture rate van 50% zit. Dus wij komen bijna tegen de 10 kilogram per inwoner. Dat wij eigenlijk 0% verbranden. In de krantenartikels wordt gegoocheld met 80 à 90% richting verbranding. Een reguliere sector verbrandt 0 procent. Ik denk dat dat een belangrijk cijfer is dat moet meegenomen worden. Dat wij 70 procent hergebruiken over de wereld. Dus als we beginnen hoog op te lopen met exportbeperkingen voor textiel, export bans voor textielafval, dan gaan we hele andere cijfers krijgen. En dat kan niet de bedoeling zijn.
Koen Tengrootenhuysen: 60, 70 procent is hetgeen dat we daarnet ook zeiden, die effectief met het textiel dat vandaag bestaat – en we pleiten allemaal voor hetzelfde, voor betere garen, beter textiel, en iedereen moet zijn steen bijdragen, er bestaat geen discussie over – dat wordt wel degelijk hergebruikt. Dus het materiaal dat wij vandaag aannemen wordt wel degelijk hergebruikt. En dat is iets dat we met z’n allen verder naar boven moeten krijgen, maar voor mij is het de opportuniteit. Je moet altijd een bepaalde visie hebben. Die 1% van fiber to fiber, vezel tot vezel, dat volledig wordt gerecycleerd, dat volledig wordt gebruikt: ja, laat ons daar een nul achter zetten. Klinkt misschien een beetje raar, maar een nul achter zetten. Ja, dat is een ambitie. Dan ben ik wel redelijk content en fier – dat is eigenlijk het woord dat ik zocht, fier – als we dat met Retexbel kunnen realiseren binnen enkele jaren.
[45:53] Innovaties en kansen voor de toekomst
Nele Roobrouck: Mooi, want eigenlijk, je bent het gesprek begonnen, Koen, met: we zitten op een kantelpunt. En de innovaties die hoop geven, zijn onder andere vezel tot vezel. Maar zien jullie andere grote kansen nog liggen, dat je zegt: een innovatie of…
Koen Tengrootenhuysen: Ja, sowieso. Ik heb het een paar keer gezegd: op elke schakel is het een uitdaging. Ik denk dat als we ervoor kunnen zorgen dat iedereen gewoon eens naar zijn eigen inborst kijkt, kijkt naar zijn eigen efficiëntieprocessen, laten we onze energie van het vuurpaard gebruiken om ervoor te zorgen dat we met z’n allen die energie gebruiken om die wijziging, die koerswijziging, in te zetten. Elke dag worden we wakker met wel nieuws van de dag dat heel onze wereld overhoop gooit. Je kan het gek niet benoemen, elke dag, we weten wel waarover het gaat. En laat ons die energie die er hangt ook gebruiken om nieuwe mogelijkheden te zoeken, nieuwe partnerships all over the world. De discussie die we al eens gehad hebben of die werd gevoerd: made in Europe en made with Europe. Laat ons dat een beetje breder bekijken. Laat ons ervoor zorgen dat de partnerships die er vandaag in India, in Afrika, all over the world bestaan, dat we daar verder naar kijken, die honoreren en dan komen we samen wel echt tot een betere wereld.
Frederik Bal: Ja, absoluut. Er zijn verschillende innovaties. We zitten 78 jaar in de sector. In de laatste jaren zijn de innovaties die op ons afkomen gigantisch. Maar we zijn er nog niet volledig klaar voor. Dat moet inderdaad stapsgewijs gebeuren, met behoud van de huidige afzetmarkten, met behoud van de huidige recyclagemarkten. Maar qua recyclage zijn wij er ook van overtuigd dat wij dat geografisch kunnen herlokaliseren. De industrie is daar klaar voor. Als er voldoende vraag naar gerecycleerde vezel van Europees textielvezel komt, dan gaat zich dat ook wel ontwikkelen. Verdere innovaties: digitalisering heeft Koen al gezegd, maar evengoed AI. AI steekt ons ook allemaal voorbij. Ook op het vlak van recyclage kan AI een heel groot voordeel bieden. Het is heel moeilijk om als persoon in manuele arbeid een vezelmix te onderscheiden. AI kan dat wel. Daar bestaan al camera’s voor, daar bestaan al technologieën voor. Evengoed kan AI zich ook verder zetten in sorteerprocessen. Wij blijven het belangrijk vinden dat human capital – inderdaad, bij ons is er sociale tewerkstelling – maar dat die mensen effectief de beoordeling doen. Zij gaan mee met de mode, zij voelen het kledingstuk, zij zien het defect. En ja, je kan dat op termijn wel gedeeltelijk overnemen. Het is wel belangrijk dat we ook ons human capital waarborgen in dit proces.
Koen Tengrootenhuysen: Misschien nog één ding toevoegen. Een stuk repareren, een textielstuk repareren, kost vandaag meer dan dat je iets nieuws bestelt. Dat is toch te gek voor woorden. Het is gemakkelijker om vanuit China voor twee, drie euro een productje te laten komen dan dat je vandaag hier moet herstellen. Dus als we daar al eens naar kunnen kijken om dat probleem mee op te lossen, dan denk ik dat we inderdaad de goede richting hebben.
[49:11] Afronding van het gesprek
Nele Roobrouck: Dank u wel, heren, voor dit gesprek. Wat ik uit dit gesprek vooral meeneem, is dat de textielketen sowieso voor heel grote uitdagingen staat. Volumes nemen toe, de kwaliteit van het ingezameld textiel staat niet per se onder druk. Ik hoor het van jou en jou, Frederik: op dit moment valt het zeker goed mee. De economische realiteit blijft moeilijk, maar dat is niet alleen in deze sector, dat is overal in de sectoren. Over plastiekrecyclage of de schroothandelaars, overal is het moeilijk en zeker en vast in deze geopolitieke tijden. Maar vooral: de sleutel tot een oplossing ligt in samenwerking. Samenwerking over de hele keten. En daar, Koen, als voorzitter van Retexbel zal je een heel grote verantwoordelijkheid hebben, maar ik zie dat je met heel veel positiviteit die uitdaging zal aangaan. Met de komst van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid staan we aan het begin van een heel belangrijke transitie, het kantelpunt. En als we die samen met de juiste prikkels aanpakken, dan biedt dit heel veel kansen voor de volledige keten, om deze duurzamer en vooral toekomstbestendig te maken, hier in Vlaanderen, in België, maar ook in Europa en daarbuiten. Ik dank jullie, zowel Koen als Frederik, voor jullie inzichten en dank je wel aan de luisteraars voor het luisteren naar onze Trash Talks. Wil je meer weten over de uitdagingen en oplossingen in de circulaire economie? Tot de volgende keer!