Op 21 november 2026 treedt een totaal exportverbod op Europees kunststofhoudend afval naar niet‑OESO‑landen in werking. De maatregel moet de Europese circulaire economie versterken. Zonder beleidszekerheid en bijkomende investeringen dreigt het verbod echter een structureel knelpunt te worden in plaats van een oplossing. Die boodschap staat vandaag centraal op het Plastic Matters‑event, georganiseerd door Denuo en essenscia PolyMatters, de Belgische federaties van respectievelijk de afval‑ en recyclagesector en de kunststofproducenten en ‑verwerkers.
De EU beschikt vandaag over zo’n 13 miljoen ton recyclagecapaciteit voor kunststoffen. In de afgelopen drie jaar ging echter ongeveer 1 miljoen ton capaciteit verloren. Tegelijk wordt nog steeds circa 1,5 miljoen ton kunststofhoudend afval per jaar buiten de EU uitgevoerd. Vanaf november 2026 moet dat volume volledig binnen Europa worden verwerkt, terwijl de bestaande infrastructuur daarvoor ontoereikend is.
Het exportverbod vertrekt van de veronderstelling dat kunststofhoudend afval dat in de EU blijft, ook hier wordt gerecycleerd. In de praktijk blijven de noodzakelijke bijkomende investeringen echter uit. Een belangrijke reden is de beperkte beleidshorizon: vanaf 2029 wordt export naar niet‑OESO‑landen opnieuw mogelijk, zij het onder strikte voorwaarden. Die onzekerheid, gecombineerd met hoge energieprijzen, stijgende loonkosten en complexe vergunningstrajecten, maakt Europa weinig aantrekkelijk voor kapitaalintensieve investeringen met lange terugverdientijden.
De gevolgen zijn verreikend. De EU verwerkt jaarlijks meer dan 54 miljoen ton kunststoffen, waarvan het grootste deel nog steeds uit virgin materiaal bestaat. Voor kunststofverpakkingen ligt de recyclagegraad vandaag rond 40%, wat wijst op een aanzienlijk groeipotentieel. Tegelijk treden de komende jaren verplichtingen rond gerecycleerde inhoud in werking, onder meer via de Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR). Zonder voldoende recyclagecapaciteit komt de beschikbaarheid van kwalitatief recyclaat onder druk te staan.
Inge Dewitte, senior advisor Denuo : “Het exportverbod biedt kansen, maar zonder een stabiel beleid en investeringen in sortering en recyclage blijft impact uit. Alleen met duidelijke lange- termijnzekerheid kan de afval-en recyclagesector zijn recyclagecapaciteit opschalen.”
Saskia Walraedt, directeur essenscia PolyMatters: “Het exportverbod kan een belangrijke hefboom zijn voor meer circulaire kunststoffen in Europa, maar alleen als investeringen ook daadwerkelijk mogelijk worden gemaakt. Zonder voldoende Europese recyclagecapaciteit dreigt de maatregel zijn doel voorbij te schieten en extra druk te zetten op kosten, beschikbaarheid van circulaire grondstoffen en de concurrentiekracht van de Europese industrie.”
Het spanningsveld tussen het exportverbod en de economische realiteit vraagt om duidelijke beleidskeuzes. Het exportverbod kan de uitbouw van een circulaire economie ondersteunen, mits het wordt ingebed in een coherent industrie‑ en investeringsbeleid.
Zonder tijdelijke overbruggingsmaatregelen en een realistische transitieplanning dreigt het risico dat investeringen worden uitgesteld of verschuiven naar regio’s met meer beleidszekerheid en snellere procedures. Om de verwerking in Europa tijdig op te schalen, moeten infrastructuur, marktstimulansen en regelgeving gelijktijdig en consistent evolueren.
De circulaire economie voor kunststoffen is dan ook geen louter milieuthema. Ze raakt rechtstreeks aan de concurrentiekracht van de Europese industrie, aan toegang tot grondstoffen en aan strategische autonomie. De kernvraag is niet of Europa ambities formuleert, maar of het de economische voorwaarden creëert om die ook te realiseren.